
[opperbevelhebbergeneraal C.J. Snijders in 1918]
Eerste Wereldoorlog (1914 1918)
Tijdens de Eerste Wereldoorlog waren honderdduizenden Nederlandse mannen onder de wapenen. De functie van het leger was de neutraliteit te bewaren. Het leger werd echter ook ingezet om de orde te handhaven, smokkel te bestrijden en interneringskampen te bewaken. Ondanks al deze taken was de verveling een belangrijke vijand.
De legerleiding deed het uiterst mogelijke om bij de tijd te blijven. De loopgravenoorlog bracht allerlei innovaties met zich mee. De invoering van de stalen helm, het gasmasker, de vlammenwerper, loopgraven en vliegtuigen voor militaire doeleinden zijn er enkele van. Het Nederlandse leger nam ook de vorming van stormtroepen over, militairen die speciaal waren opgeleid een doorbraak in een vijandelijke loopgraaf te forceren. Voor een van de opvallendste nieuwigheden, tanks, ontbrak het Nederland tijdens de oorlog aan middelen.
De armoede die een gevolg was van de oorlog leidde tot sociale onrust. Bij de onderdrukking van deze relletjes, zoals het aardappeloproer in Amsterdam in 1917, werd vaak het leger ingezet.
