"...nu de Franschen weder Komende zijn wij naar Waterloo gemarscheerd..."
Albert Gerrits Kanis, soldaat in het 15e bataljon van het 124e infanterieregiment van het Franse keizerrijk
Waterloo, 1815
Soeverein vorst Willem I, die in 1815 Koning der Nederlanden zou worden, had tot taak snel een nieuw en groot leger te formeren. Zoveel soldaten waren nodig, dat hij noodgedwongen de dienstplicht handhaven moest. Bovendien had het idee postgevat dat elke natie zichzelf moest kunnen verdedigen, met een leger bestaande uit landgenoten. Op de soldaat werd nu een beroep gedaan huis en haard te beschermen tegen de vijand.
Toen Napoleon, teruggekeerd van het ballingsoord Elba, in 1815 oprukte naar de Nederlanden om daar de geallieerde legers te verslaan, had Willem I een vreemd leger voorhanden.
Het bestond uit veteranen van de Napoleontische oorlogen, uit dienstplichtigen en enkele ingehuurde buitenlandse eenheden. Bondgenoten waren de Britten, die ook veel Duitse huureenheden in hun gelederen hadden, en de Pruisen. Het Nederlandse detachement vocht onder aanvoering van de prins van Oranje, de latere Willem II, bij Quatre Bras (16 juni) en Waterloo (18 juni). Hier werd Napoleon definitief verslagen.