
Kasteel Doorwerth
Opstelling in Doorwerth
Het Legermuseum biedt met zijn brede collectie militaire gebruiksvoorwerpen en kunstuitingen een overzicht van de militaire geschiedenis sinds de prehistorie tot aan heden.
Het museum vindt zijn oorsprong in de grote privéverzameling van F.A. Hoefer (1850-1938). Om zijn her en der verspreide collectie een waardig onderdak te verschaffen en toegankelijk te maken voor het publiek betrok hij kasteel De Doorwerth, gelegen in de uiterwaarden van de Rijn vlakbij Arnhem. Prins Hendrik gaf het de naam Nederlandsch Artillerie Museum en verrichtte op 5 augustus 1913 de officiële opening.
Gaandeweg kon Hoefer de lasten voor onderhoud aan het kasteel en de verzameling niet meer alleen opbrengen. Het lukte hem niet om van het museum een rijksmuseum te maken, maar het werd wel in 1921 in de organisatie van het ministerie van Oorlog opgenomen en ondergebracht bij de Generale Staf. De minister bleek met deze constructie minder gelukkig en in 1928 bracht men de collectie in een stichting onder met de naam Het Nederlandsch Legermuseum. Hoefer werd voorzitter van het bestuur en bleef daarbij museumdirecteur, tot aan zijn dood in 1938.
Kasteel De Doorwerth bleek allengs te klein voor de steeds verder uitbreidende collectie. Grote objecten, zoals karren, wagens en geschut, stonden noodgedwongen op de binnenplaats en op de aarden wallen rondom het kasteel. Bij hoge waterstanden van de Rijn liepen ook de lager gelegen onderkomens onder water, terwijl in zeer droge perioden de kasteelgracht uitdroogde, waardoor de muren begonnen te scheuren en op sommige plekken zelfs instortten. Aan het einde van de dertiger jaren rijpte dan ook het plan om het museum elders onder te brengen. In december 1940 besloot het bestuur tot de verhuizing van het museum naar Leiden, waar het ministerie voor dit doel het voormalige Pesthuis had aangekocht. Door de Tweede Wereldoorlog duurde het echter geruime tijd voor de verhuizing een feit was. Na een periode van opbouw en inrichting werd het museum in Leiden in 1956 voor publiek geopend. De stichting had een jaar eerder haar naam gewijzigd in Het Nederlands Leger- en Wapenmuseum Generaal Hoefer.
Eind 1959 kreeg het museum ook de beschikking over een zeventiende-eeuws gebouwencomplex te Delft. In dit Armamentarium was door het ministerie van Defensie allerlei oorlogsmateriaal bijeengebracht, voornamelijk munitie en geschut, in 1945 door de Duitsers in Nederland achtergelaten. Dit diende in de eerste jaren als studieverzameling voor beroepsmilitairen om kennis op te doen over allerlei militaire technieken, maar bleek al snel verouderd. Daarom besloot de staatssecretaris van Defensie deze verzameling aan de stichting over te dragen. In 1973, toen het museum 60 jaar bestond, verleende Hare Majesteit het predikaat Koninklijk aan de stichting.
![]() |
| Het Legermuseum in Leiden |
Zo had het museum nu dus vestigingen in Leiden en Delft, een situatie die niet echt bevorderlijk bleek voor de feitelijke samensmelting. De kosten, om als het ware twee musea te financieren, bleken niet meer uit de lopende begroting op te brengen. Op beide locaties leden de museumgebouwen bovendien onder achterstallig onderhoud en voortschrijdend verval. Op voorspraak van de staatssecretaris van Defensie werd binnen zijn ministerie en dat van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu financiering gevonden voor de renovatie van het Armamentarium in Delft. Er volgde een radicaal programma van restauratie en renovatie, dat acht jaar duurde. Elders in de stad werden de op de Paardenmarkt aanwezige defensiegebouwen summier ingericht als depot. In 1986 verrichtte de minister van Defensie in aanwezigheid van Z.K.H. Prins Bernhard de opening van de benedenverdieping van het museum. In 1989 opende H.M. Koningin Beatrix de tentoonstelling Oranje op de bres, waarmee de openstelling van het gehele museum een feit werd.

