
Tachtigjarige Oorlog
Het Staatse leger en de Nederlandse onafhankelijkheidsstrijd
Alle Nederlanders daartoe in staat zijn verplicht mede te werken tot handhaving van de onafhankelijkheid van het Rijk en tot verdediging van zijn grondgebied. (grondwet, artikel 97, lid 1)
Onafhankelijkheid
In het bovenstaande grondwetsartikel kun je lezen dat ons land onafhankelijk is. Dat houdt in dat we een bestuurlijke eenheid vormen met een eigen regering. Als inwoners van Nederland zien we die onafhankelijkheid als vanzelfsprekend. Voor heel veel mensen op de wereld is dit echter niet zo. Zij strijden voor onafhankelijkheid en vrijheid. Lang geleden vochten wij ook een dergelijke strijd. Tot 1568 vormde ons land meestal een onderdeel van een ander groot koninkrijk of keizerrijk. Nederland zoals wij het nu kennen bestond eigenlijk niet. De Nederlanden werd als term gehanteerd voor een groter geheel: het huidige Nederland, België en Luxemburg. In 1515 werd Karel de Vijfde Heer over de Nederlanden. Daarnaast was hij ook Keizer van Duitsland, Heer van Oostenrijk en bezat hij een groot deel van Italië.
In het eerste kwart van de 16e eeuw vonden er hervormingen plaats binnen het christelijke geloof (katholicisme). Veel inwoners van de Nederlanden werden aanhangers van deze hervormingen. Karel V en zijn zoon Filips II lieten de hervormers, de zogenaamde protestanten, vervolgen. Velen kwamen om op de brandstapel. Daarnaast wilden beide vorsten hun macht vergroten door centralisatie van de macht. Het gehele rijk werd voortaan vanuit één centraal punt bestuurd. Hierdoor kregen de edelen en de rijke burgers minder te vertellen. Om deze twee redenen, de centralisatie van de macht en de vervolging van protestanten, kwamen de inwoners van de Nederlanden in opstand tegen hun vorst.
De opstand wordt een oorlog
De Opstand tegen de Spaanse overheersing begon in 1568, toen het verzet het karakter van een oorlog kreeg. Om een oorlog te voeren heeft een land een leger nodig. Prins Willem van Oranje, één van de edelen die in Nederland land bezaten, stelde een leger samen om de Spaanse troepen in de Nederlanden te bestrijden. Terwijl het zuidelijke deel van de Nederlanden (het huidige België) weer onder Spaans gezag kwam te staan, bleven de noordelijke gewesten de strijd handhaven. In 1588 besloten de noordelijke gewesten hun land voortaan zelf te besturen; zij werden onafhankelijk van Spanje. Nederland werd een republiek: een land zonder vorst aan het hoofd. Ieder gewest had een eigen bestuur: de staten. Alle staten stuurden een vertegenwoordiger naar de Algemene Statenvergadering: de Staten-Generaal. De Staten-Generaal, de regering, nam bepaalde besluiten die voor het hele land golden. Zo werden alle besluiten met betrekking tot de oorlogsvoering door de Staten-Generaal genomen en niet door de gewestelijke staten. Op deze manier kwam het nieuwe Nederlandse leger ook aan zijn naam: het Staatse leger.
Het Staatse leger
Ondanks het feit dat het Staatse leger een nationaal karakter had, was het geen Nederlands leger zoals wij het nu kennen. In onze huidige landmacht dragen de soldaten allemaal de Nederlandse nationaliteit: dat wil zeggen dat ze een Nederlands paspoort hebben. Het Staatse leger was een huurleger. Deze huurlingen kwamen uit arme streken in Duitsland, Schotland, Frankrijk, Engeland en Zwitserland. Ook andere legers, waaronder het Spaanse, maakten gebruik van buitenlandse soldaten. Nederland had dus al in de 17e eeuw met gastarbeiders te maken. Doordat het Nederlandse leger en de marine grotendeels uit buitenlandse krachten bestonden, liepen er in Nederland al heel wat allochtonen rond. Veel van deze allochtonen hebben zich na hun diensttijd voorgoed in Nederland gevestigd, waardoor veel Nederlanders buitenlandse voorvaderen hebben.
Links:
www.dutchrevolt.leidenuniv.nl
www.compagniegrolle.nl
www.circumvallatielinie.nl
www.wapenhandelinghe.ontheweb.nl
www.engelseschans.nl
