hoe maak ik een werkstuk?
1 onderwerp kiezen
2 formuleren van een probleemstelling
3 informatie verzamelen
4 werkstuk schrijven
5 vormgeving
1 onderwerp kiezen
Kies een onderwerp wat je interessant vindt. Zoek een onderwerp via internet, of blader door de encyclopedie of een krant. Wat je ook kiest: zorg ervoor dat je onderwerp niet te uitgebreid is. Anders zie je al snel door de bomen het bos niet meer. Beperk je tot één aspect, één periode of één gebied.
2 formuleren van een probleemstelling
Je hebt een onderwerp gekozen, maar wat wil je precies weten? Je gaat je probleemstelling, ook wel de hoofdvraag, formuleren. Dat is de centrale vraag waarop je aan het eind van je werkstuk een antwoord geeft. De probleemstelling bevat altijd een vraagwoord als wie, wat, waar, waarom of wanneer? Formuleer je probleemstelling zo concreet en exact mogelijk. Het mag geen vraag zijn waar je alleen ja of nee op kunt antwoorden.
3 informatie verzamelen
Informatie kun je op verschillende manieren verzamelen. Zoek op internet, ga naar de bibliotheek, bezoek een museum en zoek in kranten en tijdschriften. Lees alles zorgvuldig en markeer eventueel nuttige informatie of maak een samenvatting.
4 werkstuk schrijven
Heb je genoeg informatie verzameld, dan kun je beginnen met schrijven. Een werkstuk is opgebouwd uit de onderstaande onderdelen:
- titelpagina
- inhoudsopgave
- voorwoord
- inleiding
- betoog
- conclusie
- literatuurlijst
- bijlagen
5 vormgeving
De uiterlijke verzorging is bijna net zo belangrijk als de inhoud van je werkstuk. Een aantal algemene tips:
-
afkortingen
Afkortingen als t.a.v. en m.b.t. kun je beter voluit schrijven. Andere afkortingen moeten de eerste keer verklaard worden.
-
citaten en parafraseren
Soms is het nodig tekstgedeelten uit de literatuur over te nemen. Dit kan op twee manieren: de tekst letterlijk overnemen (citeren) of de tekst in eigen woorden weergeven (parafraseren). Na het citaat of de parafrase vermeld je tussen haakjes van wie en uit welk jaar die informatie afkomstig is. In de literatuurlijst geef je een uitgebreidere beschrijving van de betreffende bron. Probeer het gebruik van andermans teksten te beperken en citeer geen grote lappen tekst.
-
illustraties
Illustraties verhelderen de tekst en zorgen voor afwisseling. Ze moeten wel een functie hebben en je werkstuk niet gaan overheersen. Plaats er een toelichting naast of onder.
-
lay-out
Begin ieder hoofdstuk op een nieuwe pagina; paragrafen begin je niet op een nieuwe pagina. Voorwoord, inleiding, conclusie, bibliografie en bijlagen kun je ook als aparte hoofdstukken beschouwen en die begin je dus ook steeds op een nieuwe pagina. Zorg voor een overzichtelijke en logische alinea-indeling.
-
hoofdstuknummering
Hoofdstukken en paragrafen krijgen altijd een titel en worden genummerd. Het voorwoord en de bibliografie krijgen geen nummer. Bijlagen nummer je met letters of Romeinse cijfers.
-
paginanummering
Nummer de pagina's en zet het nummer steeds op dezelfde plaats. Zorg dat de paginanummering overeenkomst met de nummering in de inhoudsopgave.
-
spelling
Vermijd spellingsfouten. Lees je werkstuk goed na en laat iemand anders het ook nog nakijken op spelfouten.